Toen we na een degelijke nachtrust allemaal terug wat bijgekomen waren en grotendeels genezen, vertrokken we terug naar Hanto, ondanks de waarschuwingen van onze voorgangers. Zoals tevoren stelden we na een dagreis ons kamp op, spraken we af wie de wacht zou beginnen en gingen we slapen. Tijdens onze slaap werden we echter gewekt door Liesl, die het gevoel had alsof een struik ritselde en zelfs naar ons toe kwam. We hoorden inderdaad af en toe geritsel van een struik komen. Ik ging in een boog om de struik heen, zonder het allerminste geluid te maken. Ik bekeek de struik heel aandachtig en ik kon een soort gestalte opmaken uit de takken, maar het zag er alleszins niet menselijk uit, het leek zelfs alsof het lichaam alleen maar bestond uit zware, ineengevlochten takken. Het zag eruit alsof het de anderen wou aanvallen en ik twijfelde geen moment: ik viel het wezen aan en totaal verrast moest hij een grote klap incasseren. De anderen reageerden onmiddellijk: Kalaan schoot magische pijlen op hem af en Kjeldor en Liesl hakten in op zijn takkenlichaam, zodat hij na enkele ogenblikken bewusteloos neerzeeg. Met een fatale klap puurde Kjeldor het laatste leven uit het wezen. Plots merkte ik achter Kalaan nog zo'n monster; ik stormde er roepend op af, zodat de anderen gewaarschuwd waren. Kjeldor kreeg toch enkele zware klappen, maar samen kregen we ook deze klein. We kapten beide monsters in stukken en legden de takken ver uiteen. We verhuisden ons kamp een eindje zodat we niet meer middenin de overblijfselen lagen en we gingen uitgeput terug slapen. Gelukkig gebeurde er die nacht niets meer, zodat we 's morgens rustig naar Hanto konden rijden.
Na ons ontbijt trokken we dan ook verder tot we in de verte Hanto zagen liggen. Het was een dorpje zoals de andere die we al tegengekomen waren, maar het was duidelijk dat er iets aan de hand was. Hanto was namelijk omring door een muur van hoge houten palen, en aan de ingang stonden wachters en waren een paar mannen aan een torentje aan het werken. We gingen een kijkje nemen en toen de wachters ons zagen aankomen deden ze hun wapenuitrusting aan; het was een volledig zwarte uitrusting met zilveren schakels en knopen. Aan de poort werden we tegengehouden door de Ork Kwam, waarvan we wisten dat het de tweede leider was van het Grim Legion. Hij legde ons onvriendelijk uit dat als we eenmaal binnen waren dat we onder geen enkele voorwaarde terug buiten mochten totdat het probleem opgelost was. We vroegen wat het probleem juist was, we stelden zelfs voor om te helpen, maar hij was duidelijk niet gediend met onze vele vragen. Kjeldor wees erop dat de mannen die aan de toren werkten er erg zielloos bijliepen; ze werkten inderdaad als zombies en ze zagen er bepaald slecht uit. We besloten toch de grote stap te zetten en we gingen naar binnen, waar we meteen onze wapens moesten afgeven. Kalaan slaagde er echter in om een dolk verborgen te houden in haar mouw. Om te voorkomen dat Liesl zou wegvliegen werd er een extra regel gesteld: om het uur zou een bel luiden waarna we naar onze hut moesten komen, en als er iemand ontbrak zou de rest ter plekke geëxecuteerd worden.
We namen een kijkje in het dorp; de meeste mensen zagen er slecht uit, en ze keken raar op als ze ons zagen. We zagen een grote hut waar iemand bezig was, en we vroegen hem wat uitleg over de situatie. Hij dierf echter niet veel zeggen; het was duidelijk dat iedereen hier doodsbang was voor het Grim Legion. We vroegen hem waar we de hut van de moeder van Charboyya konden vinden, en op zijn aanwijzingen vonden we het snel. Emberika, Charboyya's broer, opende de deur. We verklaarden onze missie en onze aanwezigheid, en al zuchtend las hij de brieven van zijn broer. Het deed hem duidelijk niet veel, aangezien Charboyya niet op de hoogte van de situatie was en dus niet veel te vertellen had. Hij riep zijn moeder erbij, die er vrij slecht uitzag. Zij was heel blij met het nieuws van haar zoon, en ze dacht wat terug aan vroeger om zo het nu te kunnen vergeten. Toen we vroegen wat er gebeurd was in Hanto kregen we eindelijk het verhaal te horen. Bo-Beï, de zoon van de slager van Hanto, was in een waterput gevallen, en duidelijk door toedoen van een klein meisje dat naast de put stond, kwam hij er na een tijdje zwevend terug uit, waarna hij verzorgd kon worden. Het gerucht verspreidde zich snel en na een tijdje kwam het Grim Legion Hanto bezetten, overtuigd dat het meisje bezeten was door een Horror. Sindsdien mocht niemand nog buiten, behalve dan enkele herders, onder zware bewaking weliswaar. Emberika voegde er nog aan toe dat het tijd was voor actie; dat iedereen in het dorp moest samenwerken en een aanval plannen op het Grim Legion, maar het was duidelijk dat dat bijna niet mogelijk was: de dorpelingen waren erg zwak en ongewapend, het Grim Legion bestond uit getrainde, gewapende soldaten. We probeerden hem duidelijk te maken dat we wel op een andere manier wilden helpen, maar hij geloofde enkel in de aanval en beschuldigde ons ervan al even zwak te zijn als onze voorgangers en de rest van het dorp.
Het leek ons tijd om naar Orweya te gaan, de moeder van het meisje. Ze zag er niet al te best uit, en na een kort geprek lieten we haar rusten. Uit het gesprek was wel gebleken dat het meisje, dat Ardelea bleek te heten, zeer goed kon zingen, en zoals we wisten was elke artistieke uitdrukking een bewijs dat iemand niet besmet was door een Horror. We hadden dan ook geprobeerd Orweya te overtuigen om te proberen haar dochter te laten zingen, om zo het probleem misschien op te lossen. Ze was er echter zeker van dat dat niet zou lukken, en ze wou zelfs niet proberen, hoewel ze de enige was die het meisje mocht zien.
Om zelf toegang te krijgen tot de gevangenis probeerden we een gesprek te krijgen met de Obsidiman Necromancer Moltaa, de leidster van het Grim Legion, en na een lange tijd wachten mochten we haar eindelijk zien. We legden uit dat we konden proberen het meisje te laten zingen, we boden zelfs onze hulp aan om mee te zoeken naar de Horrors, maar niets mocht baten. Ze vond, misschien wel terecht, dat we niets van Horrors afwisten en dat we ons niet met het Grim Legion mochten bemoeien. We besloten ten einde raad een kijkje te gaan nemen aan de gevangenis om te zien hoe streng ze bewaakt was, en het bleek dat het een niet al te groot gebouw was met altijd twee bewakers aan de deur. Ook hier leek er geen kans om ongemerkt tot bij het meisje te komen. We moesten dus een ander plan verzinnen...
De volgende dag gingen we terug naar de gevangenis, in de hoop een betere kijk op de zaak te krijgen. Er was slechts één bewaker, die op een grote, machtige bijl leunde. Kjeldor, onze wapensmid, was natuurlijk meteen geïnteresseerd en in de hoop wat meer te weten te komen over de situatie ging hij een luchtig praatje maken met de bewaker, die Lo-Arr Brand bleek te heten, terwijl wij uit het zicht bleven. Lo-Arr vertelde uitvoerig over hoe hij de bijl had kunnen bemachtigen en Kjeldor luisterde zeer geboeid en stelde allerlei vragen over de vreemde tekens die op het wapen te zien waren. Kjeldor gaf het gesprek een andere wending en vroeg de bewaker of hij hier al lang stond, en of hij hier nog lang moest staan. Lo-Arr bekloeg zich over het feit dat het al zo veel maanden duurde en dat hij de komende dagen nog op wacht moest staan en dat er zo weinig te beleven was. Hij was namelijk bij het Grim Legion gekomen voor de actie en nu was er een trage periode aangebroken die blijkbaar al lang genoeg geduurd had. Toen Kjeldor zijn interesse voor de bijl nogmaals liet blijken, wilde de bewaker wel eens iets anders: hij stelde een weddenschap voor. Hij zou vanavond tegen Kjeldor vechten; als hij won kreeg hij 300 zilverstukken, als Kjeldor won kreeg hij de bijl als hij Hanto terug verliet. Er was namelijk nog altijd de regel dat de bewoners geen wapens mochten dragen. Na wat twijfelen nam Kjeldor de weddenschap aan, en al na een paar uur was iedereen op de hoogte. Er werd zelfs geld ingezet op de kandidaten en om Kjeldor te keuren kwamen er geregeld militairen van het Grim Legion naar zijn spiermassa kijken.
Het was duidelijk dat dit een echt evenement zou worden waar iedereen naar zou komen kijken, wat natuurlijk ideaal was als afleiding om contact te zoeken met Ardelea. Ik had het plan opgevat om tijdens de kamp op het dak van de gevangenis te klimmen en met de dolk die Kalaan nog verborgen had een gaatje te maken in het dak om zo met het meisje te kunnen praten. Het plan liep gesmeerd: 's avonds was bijna heel het Grim Legion, en zelfs vele dorpelingen, naar de plaats van het gevecht gekomen om het spektakel te bekijken. De weddenschappen werden afgerond, zwaar in het nadeel van Kjeldor, en eenmaal het gevecht begonnen was sloop ik naar de gevangenis. Er stond één bewaker voor de deur die er duidelijk niet mee opgezet was dat hij niet naar het gevecht mocht gaan kijken en in zijn pogingen om toch iets te kunnen zien was hij zo onoplettend dat ik gemakkelijk langs de achterkant op het dak kon klimmen. Na enkele gaatjes gemaakt te hebben had ik tenslotte Ardelea gevonden.
Ik fluisterde stilletjes haar naam, en heel bang zei ze: "Mama? Mama?". Ik zei haar dat ik haar mama niet was, maar dat ik haar wou helpen. Ze was duidelijk erg angstig en ze vertrouwde me niet meteen. Ik probeerde haar duidelijk te maken dat ze niet bang voor me moest zijn en dat wij wilden helpen om de hele situatie zo snel mogelijk op te lossen. Ik zei haar dat ze moest zingen, zodat ze Molta ervan kon overtuigen dat ze niet besmet was door een Horror, maar het bleek dat ze veel beter hout kon snijden, en dat Molta niet geloofde in die uitingen van kunstzinnigheid als bewijs dat iemand niet besmet is. Ze zei nochtans dat ze echt niet besmet was, maar dat ze wel speciale krachten had. Ze kon bijvoorbeeld heel goed horen, want ze had Molta in het hoofdkwartier horen zeggen dat als ze ook maar iets van krachten had, dat ze dan vermoord zou worden. Ze moest haar krachten dan ook altijd verborgen houden. Terwijl ze aan het praten was voelde ik haar plotseling aan mijn arm komen, en zag ik haar boven de grond zweven. Ze had het duidelijk niet door want toen ik zei dat ze blijkbaar ook nog kon zweven, zakte ze, beschaamd, snel weer naar beneden. Ik stelde haar gerust dat alles wel in orde zou komen en dat ze goed naar ons moest luisteren, zodat ze tenminste zou weten wat we van plan waren. Dat zou ze zeker doen, en ze vroeg me nog of ik de groeten aan haar moeder wou doen. Ik beloofde het. Toen zei ze dat het gevecht gedaan was, en dat Kjeldor gewonnen had. Het was dus tijd om terug te gaan en ik nam afscheid van Ardelea.
Het bleek dat Kjeldor de bewaker in een sportief gevecht met enkele harde slagen had kunnen verslaan, zodat hij plots in het middelpunt van de belangstelling stond. De anderen waren natuurlijk nieuwsgierig naar wat ik had vernomen en na een tijdje gingen we terug naar onze hut, waar ik mijn verhaal deed. Plots verdwenen bij Kjeldor de blauwe plekken en wonden op zijn gezicht en was hij volledig genezen; we wisten toen dat Ardelea ook nog de gave van genezing had. We waren dus heel wat wijzer geworden, maar we wisten enkele dingen toch nog niet. Het kon namelijk nog altijd dat Ardelea besmet was door een Horror, want we hadden zelf ook nog geen bewijs gezien. Ik was er na ons gesprek echter van overtuigd dat ze enkel goede krachten had. Het probleem was dat we niet wisten hoe we Molta daarvan moesten overtuigen. Een derde vraag die we ons stelden was: vanwaar komen de speciale krachten die ze heeft? Als we dat wisten, zou het hele probleem misschien opgelost zijn...
De dag daarop doolden we doelloos door het duistere dorp; we stelden vragen aan de moeder van Ardelea, maar die was alles behalve behulpzaam. Ze was, zoals iedereen, moegestreden, en kon ons niet verder helpen. We gingen ook ten rade bij de slager, wiens zoon Ardelea uit de waterput had gered, om daar misschien de nodige antwoorden te vinden. Helaas kregen we ook daar geen gehoor en om Bo-Beï, zijn zoon, te sparen mochten we hem zelfs niet spreken. Na een dag vruchteloos zoeken besloot ik om 's avonds terug naar Ardelea te gaan. Toen het donker was geworden nam ik de dolk van Kalaan, die nog steeds onbemerkt was gebleven, en ik kroop muisstil op het dak van de gevangenis. Met de dolk maakte ik enkele gaten in het dak, zodat ik kon zien waar ze zat. Ik praatte zacht met haar en stelde haar gerust dat we waren gekomen om haar te helpen, en na een tijdje had ze het vertrouwen gevonden om te zeggen waar haar krachten vandaan kwamen. Ze had namelijk een grot gevonden ten noorden van Hanto, op ongeveer een uur wandelen. In die grot had ze een pratend boek gevonden, en sindsdien beschikte ze over de vreemde krachten.
Plots zei ze dat ze iemand hoorde komen, en ik probeerde snel het dak af te vluchten aan de andere kant van waar het geluid kwam. Toen ik de grond raakte stond de bewaker me echter al op te wachten, en hij viel me aan. Na een kort gevecht kreeg ik het voor mekaar om de bewaker bewusteloos te slaan, en in paniek ging ik Kjeldor halen om te helpen. Ik legde kort uit wat er gebeurd was, en we twijfelden een tijdje wat we met de bewaker moesten doen. We besloten hem weg te slepen naar een donkerder plek iets verder en hem daar vast te binden, en we overlegden verder wat we zouden ondernemen; hij had mijn gezicht waarschijnlijk goed kunnen zien, zodat we ter dood zouden veroordeeld worden mocht dit uitlekken. Terwijl we stonden te discussiëren, kwam de bewaker echter los, zodat we meteen weer aan het vechten waren. We waren vergeten het zwaard van de bewaker mee te nemen van de gevangenis, en Kjeldor liep snel om het te halen, zodat ik het alleen tegen de bewaker moest zien te redden met mijn dolk. Ik kon echter geen tweede keer op tegen zijn kracht en na enkele rake klappen viel ik bewusteloos neer.
Na een tijdje bracht Kjeldor me weer bij bewustzijn. Hij had de bewaker klein gekregen, en we overlegden een tijdje wat we nu zouden doen. We besloten hem zo snel mogelijk te doden, anders zouden we er zelf ongetwijfeld aan gaan. We sneden zijn hoofd eraf en verstopten zijn lijk in een afgelegen plek in de struiken. We spoedden ons terug naar onze hut, waar we ons ontdeden van onze bebloede kleren en klaarmaakten om te gaan slapen, zodat we niet verdacht zouden worden bij een nachtelijke controle. Er werd echter al snel een alarm geluid en er werd gemeld dat niemand zijn hut mocht verlaten. Zo wachtten we enkele uren, waarna Molta binnenkwam. Bij zich droeg ze een vreemde grote tas, maar we konden niet zien wat er in zat. De schrik zat er dan ook dik in toen ze ons ondervroeg over de moord op een bewaker, maar ik probeerde zo koel mogelijk over te komen. Nadat we te kennen gaven dat we niks met de zaak te maken hadden opende Molta plots de tas en haalde het hoofd van de bewaker tevoorschijn, dat ons indringend aankeek. Zo werden we er aan herinnerd dat Molta een Necromancer was, en dat er niet gespot werd met haar macht over de doden. De zwaarste straf stond ons te wachten: we zouden terechtgesteld worden voor de moord op de bewaker. Op dat moment besloot ik het koel te spelen en ik zei haar dat ik de oplossing had voor haar probleem, en dat onze executie haar dan niet zou helpen. Ze wou weten welke informatie ik had, maar ik vertelde haar dat ik dat enkel kon laten zien. Ze bleef aandringen, maar ik bleef onbeweeglijk en zei haar enkel dat het antwoord in een grot lag. Daarop wou ze weten hoe ik dat wist, maar ik zei dat dat er allemaal niet toe deed. Ze bleek te begrijpen dat ik niets meer wou lossen, en uiteindelijk ging ze akkoord om de volgende dag naar de grot te vertrekken... Als Ardelea niet gelogen had waren we misschien gered!
Na een korte nachtrust vertrokken we onder zware bewaking naar het noorden, waar volgens Ardelea na een uurtje wandelen de grot moest liggen. Na een tijdje kwamen we op een grote rotsachtige vlakte, en ik gokte er dan maar op dat de grot hier ergens moest liggen. Het probleem was dat er niet meteen één te zien was, en ik moest Molta dan ook overtuigen dat ik de precieze locatie niet kende, maar dat het wel hier ergens moest zijn. Ze geloofde me en iedereen begon te zoeken, maar zonder direct resultaat, zodat Molta steeds kwader werd. Ik kon haar echter overtuigen om te blijven zoeken en na een tijdje vond een bewaker een opening in één van de rotsen. De opening was echter zo smal dat Kjeldor en ik er niet door konden, dus het was aan Kalaan en Liesl om de grot te betreden. Daarbij had Molta duidelijk gemaakt dat wij terechtgesteld zouden worden als ze niet terugkeerden. We werden dan ook erg ongerust toen ze langer en langer wegbleven, zonder dat we iets hoorden of zagen. Na lange tijd kwamen ze echter de grot terug uitgeklommen, met een groot, mysterieus boek in hun handen. Molta nam het boek en terwijl we op een afstand gehouden werden deed ze een zeer lange ceremonie met allerlei vreemde gebaren en spreuken. Op het einde van de rite verbrandde ze het boek en onder uiterst stilzwijgen reden we allemaal terug naar Hanto.
Aangekomen in het dorp werd het kamp van de Grim Legion onmiddellijk opgedoekt, waaruit iedereen kon verstaan dat de bezetting gedaan was. Er heerste dan ook een grote opluchting bij de dorpelingen en bij ons, toen Ardelea vrijgelaten werd en Hanto kon herademen. We gingen het dorp rond om iedereen nog even te bezoeken, en enkelen begonnen nog vlug brieven te schrijven die we mee terug konden nemen voor Charboyya. We gingen ook bij Ardelea en haar moeder langs, en we vroegen stilletjes of Ardelea nog krachten had. Haar moeder antwoordde dat alles nu opgelost was en dat we de hele zaak het beste konden laten rusten. We probeerden nog contact te zoeken met Molta, om te weten te komen wat er nu precies aan de hand was geweest, maar een boze blik kon ons overtuigen om geen verdere vragen te stellen. We kregen enkel te horen dat het probleem nu was opgelost, en dat we ons nergens zorgen om hoefden te maken. We hadden dus nog even tijd om naar de bewaker Lo-Arr te gaan om zijn bijl op te eisen, die Kjeldor had gewonnen in het gevecht. Uit wraak voor zijn vermoorde vriend sloeg Lo-Arr Kjeldor echter voluit op het gezicht, waardoor Kjeldor weer een serieuze wonde had. Daarna gooide Lo-Arr zijn bijl naar ons toe, en ook onze andere wapens konden we terugnemen. Het kamp was ondertussen zo goed als afgebroken en de meeste soldaten waren al vertrokken. We gingen de brieven ophalen en nadat we afscheid hadden genomen vertrokken we terug naar Bartertown. We waren echter nog maar net vertrokken toen de wonde van Kjeldor plots verdween; het was duidelijk dat Ardelea haar krachten niet verloren had!