Het Vertrek

De volgende morgen voelde ik me nog niet helemaal goed, maar we besloten toch die dag al te vertrekken naar Hanto. We aten een laatste maal bij Brainbiter, die ons nog een heel pakket gedroogd fruit en groenten meegaf, en we namen dankbaar afscheid. We liepen eerst bij Charboyya langs, die ons een kaart voor de reis gaf en de vier brieven die we moesten bezorgen. Hij drukte nogmaals zijn dank uit en al snel lieten we Bartertown achter ons.

We wandelden de hele dag stevig door, en tegen dat de avond aan het vallen was besloten we een kampvuurtje te maken naast de weg, waar we aten. Tenslotte legden we ons een eindje verder te slapen, zodat we niet in het zicht lagen van het smeulende vuur, maar we zorgden er ook voor dat we dicht bij de weg bleven. Het was namelijk zo dat de handelsroute zelf vrij veilig was, maar eens je daar te ver vanaf ging kwam je in onveilig gebied, waarvan niemand echt wist wat er allemaal rondzwierf en leefde.

Tijdens onze slaap werden we gewekt door een aanhoudend geluid: een kar, begeleid door een paar ridders, kwam van ver aanrijden. We verborgen ons snel zo goed mogelijk en we wachtten tot de kar ver uit het zicht was verdwenen; alles wat op dit uur van de nacht nog op de handelsroute bewoog leek ons minstens verdacht.

De volgende dag werden we na een tijd wandelen gewaar dat de weg een bocht begon te nemen, wat volgens onze kaart betekende dat we van de handelsroute af moesten wijken en ons op onbekend terrein moesten begeven. We konden ons oriënteren op de Tylon Mountains en de Serpent River, want daartussen lag Hanto. We wandelden stevig door, en 's avonds aten we en gingen we meteen slapen. We staken geen kampvuur aan om de aandacht niet op ons te trekken en we hielden afwisselend wacht tot de ochtend was aangebroken.

De volgende tiental dagen verliepen steeds eentoniger: we stonden vroeg op, wandelden tot 's middags, aten, wandelden door tot 's avonds laat, aten en gingen vroeg slapen, met telkens iemand die de wacht hield. De omgeving was eenzaam, eentonig en bar. Tijdens het wachthouden viel een kil gevoel over je heen, alsof je de enigste was in een land vol onbekende mysteries en krachten. Naarmate de dagen vorderden geraakten we meer en meer door onze voedselvoorraad heen en ook het water werd schaars. We begonnen zelfs op rantsoen te leven, want het leek alsof we nooit een dorp of gemeenschap tegenkwamen, en we wisten niet hoe ver we nog van Hanto verwijderd waren...