Het was al bijna middag toen ik eindelijk aankwam in Bartertown. Vanop de helling van de Royal Road keek ik uit op het dorre landschap, dat nog maar net begon te herstellen van de verschrikkingen van de Scourge. Hele stukken woud waren weggemaaid, heuvels verdwenen en rivieren uitgedroogd. Bartertown zelf lag er, zoals steeds, rommelig bij: overal in de kleine steegjes heerste de drukte die de stad zo typeerde, en de marktkramers deden ijverig hun best hun koopwaar te slijten aan de vele avonturiers die hier passeerden. Ik negeerde hun verkoopskreten en stapte recht op de Juggling Shadowmant Inn af, een gezellige herberg met een praatgrage barman, de Dwerg Brainbiter. Als u er eens komt, moet u beslist eens navragen hoe het komt dat hij een voet mist; hij zal u graag vertellen over zijn avontuur in Haven, waar hij zijn vrienden verloor aan een bende Blood Monkeys die hij allemaal een kopje kleiner heeft kunnen maken, maar niet voordat hij zijn voet verloor aan de laatste.
Ik zag Brainbiter glazen afwassen aan de bar, en ik stapte op hem af. Hij herkende mij meteen en bood me een Ale aan. We praatten wat bij over hoe lang het al geleden was en hoe de zaken gingen, maar na een tijdje kwam ik ter zake. Om wat rustiger te kunnen praten zetten we ons even in de kleine keuken van de herberg, en ik vroeg hem of hij al iets gehoord had van de Diamond Of Tears. Die had Brainbiter namelijk moeten krijgen van Yoran Windchaser, een T'Skrang die de opdracht gekregen had van de Force Of The Eye. Deze bende is de grootste van Kratas en wordt geleid door Garlthik One Eye, een Ork die tevens heerst over Kratas zelf. De diamant was echter nog steeds niet aangekomen bij Brainbiter, en ik had van de Windling Terricia, de raadsman van Garlthik One Eye, de opdracht gekregen uit te zoeken wat er misgelopen was. Brainbiter wist echter niets nieuws te vertellen: hij had niets gehoord van Yoran Windchaser, noch van de Diamond Of Tears. Maar ik stelde hem gerust dat ik de zaak zou onderzoeken. Hij ging terug en ik zette me aan een tafeltje.
Het was ondertussen vrij druk geworden in de kroeg. De bar was over de volledige lengte bezet met personen van allerlei slag, aan tafeltjes zaten orken en trollen te kaarten, te praten en te drinken. Plots kwam een mooie jonge Mens binnen, en vroeg of ze bij me mocht zitten. Ik bood haar iets te drinken aan, en ik stelde mij voor als een eenvoudige Elf die in Bartertown op doorreis was. Ik repte natuurlijk met geen woord over mijn geheime missie. Zij heette Kalaan Firebird en ze kwam van het Noorden, uit een Kaer die nog maar drie dagen geleden was opengegaan. Ze was uitgekozen om met nog drie anderen de nieuwe wereld te verkennen en te kijken of het veilig genoeg was om de Kaer definitief te openen. Onderweg waren ze echter aangevallen door een troep vreemde, vliegende wezens, en ze was de enige overlevende. De rest van de tocht heeft ze afgelegd in het gezelschap van een handelskaravaan.
Terwijl we aan het praten waren, viel plots een enorme Trol met een zware klap tegen Kalaan aan. Hij was geduwd door een tegenstaander bij het kaarten, die hem er luidkeels van beschuldigde vals te spelen. De twee gingen op de vuist en we weken achteruit voor het gevecht. Ik zag Brainbiter teken doen naar twee Orken, vaste klanten van de kroeg, dat ze moesten ingrijpen, maar ze keken verontschuldigend terug en ondernamen niets. Daarop besloot Brainbiter zelf tussen beide te komen, maar als kleine Dwerg met slechts één voet stond hij machteloos tegen de sterke Trol. Hij kreeg dan ook een duchtig pak rammel en ik riep uit naar de paar overgebleven klanten dat hij hulp nodig had. De twee Orken wilden alvast niet veel doen, want de Trol had hen ingehuurd om 's middags een werkje te doen, en ze wilden hun geld niet verliezen. Ik zag dat Brainbiter het bewustzijn verloor en ik trok mijn zwaard. Aan de bar zat nog een struize Mens en samen vielen we de kolos aan. Ondertussen had een vrouwelijke Windling ook haar wapen getrokken, maar de Trol was sterker dan verwacht. Kalaan verraste hem even met een knap staaltje magie, waarbij ze hem bestookte met vlijmscherpe pijltjes, maar hij bezweek niet. Plots haalde hij uit en trof mij recht op mijn gezicht. Met een enorme klap vloog ik achteruit en belandde ik op de vloer. Ik krabbelde terug recht en ondanks een serieuze wonde vloog ik terug in het gevecht, waar ik hem enkele rake klappen kon verkopen. Kalaan had ondertussen een van de twee Orken kunnen overtuigen mee te vechten, de andere was gevlucht. Zo was het ondertussen vijf tegen een geworden, maar ondanks enkele zware klappen vocht de Trol zeer dapper verder. Tot op een bepaald moment de Mens zijn grote bijl hief en met een enorme klap de Trol in de borst trof, recht door zijn beschermende kleding heen. Hij viel op slag dood.
We brachten Brainbiter naar de keuken om hem terug bij zijn positieven te brengen, en terwijl Kalaan de Ork bedankte voor zijn moedige inzet in het gevecht kwamen twee Orken van de Garde binnen. We vertelden hen hoe het gevecht was begonnen, en van Brainbiter, die ondertussen was bijgekomen, hoorden ze dat we zijn leven hadden gered. Ik stelde voor even te helpen het lijk buiten te dragen, samen met de Ork van de Garde en de Ork die mee had gevochten. Terwijl we buiten waren, voelde ik snel door de kleren van de Trol om te zien of hij niets van waarde bijhad, maar ik kon niet direct iets vinden onder het toeziend oog van de Garde.
Brainbiter was ons uiterst dankbaar en bood ons eten en onderdak aan, wat we graag aannamen. Tijdens het eten stelden we ons aan elkaar voor. De kleine Windling heette Liesl Silkfeather en was hier terechtgekomen met dezelfde karvaan als Kalaan, maar ze kenden elkaar niet. Zij had een hond bij en ging door het leven als Bard. De grote Mens was een Wapensmid genaamd Kjeldor Zhafirin; in zijn dorp, ongeveer een halve dag wandelen van Bartertown, had hij een smidse waar hij allerhande wapens maakte. We besloten Kalaan te helpen met haar verkenningsmissie en na een zware dag gingen we allemaal slapen.
De volgende morgen sliepen we uit, en genoten we van een heerlijk ontbijt dat we voorgeschoteld kregen van Brainbiter. Plots kwam een T'Skrang binnen die ons vertelde dat zijn baas, eigenaar van een stoffenwinkel enkele huizen verder, ons wilde spreken. We vertelden hem dat we er eens over zouden nadenken en hij vertrok weer. We stonden allemaal een beetje achterdochtig tegenover de ijdele T'Skrangs en we besloten eerst bij Brainbiter wat inlichtingen in te winnen over de baas van de winkel. Hij vertelde ons dat het een heel eerlijke persoon was die nooit problemen maakte, zodat we gerustgesteld gingen kijken.
Het bleek een prachtige winkel, met schitterende stoffen van dure materialen. De Elf achter de toonbank herkende ons en ze duwde driemaal op een belletje, waarna de baas van de winkel, een Dwerg die Charboyya, bleek te heten, ons naar zijn kantoor leidde. Hij had gehoord van ons wedervaren met de Trol in de Juggling Shadowmant en wilde ons inhuren voor een speciale opdracht. Hij was namelijk afkomstig van Hanto, een klein dorpje bij het Vors Lake waar hij regelmatig contact mee hield, maar zijn laatste boodschappers waren na 40 dagen nog niet teruggekeerd van de tocht die normaal ongeveer 30 dagen zou moeten duren. Hij had verder niets van het dorp of haar inwoners gehoord en wilde dat wij er, tegen forse betaling, enkele brieven naartoe brachten. We besloten er nog eens over na te denken en we trokken terug naar de Juggling Shadowmant om het voorstel rustig te bespreken.
We kwamen tot het besluit dat de missie van Kalaan niet in het gedrang kwam, aangezien we een stukje van de wereld konden verkennen en zo de veiligheid in de buitenwereld goed konden bestuderen. Een tweede probleem was het geld, maar er was nog geen prijs bepaald, dus we besloten het aanbod aan te nemen en te gaan onderhandelen.
Charboyya was zeer verheugd dat we zijn opdracht wilden aannemen, zelfs zo verheugd dat hij bereid was ons 650 zilverstukken per persoon te betalen, met een voorschot van 5 procent. We probeerden tevergeefs het voorschot te verhogen tot 150 zilverstukken, zodat we ons allemaal een paard konden aanschaffen om de reis aanzienlijk te versnellen, maar 5 procent bleek het maximum dat hij ons kon geven.
